06 – 20 56 27 95 sabine@vatotz.nl
Noah’s missie

Dit verhaal schreef ik in 2016 voor de wedstrijd ‘Schrijven voor Afghanistan’. Na de vernietiging van veel boeken in Afghanistan wilde Save the Children met deze campagne aandacht vragen voor lees- en vertelcultuur en kinderboeken beschikbaar maken voor kinderen daar. Een fantastisch project: als juf, boekenwurm en thuisfronter van een Afghanistan-veteraan móest ik wel meedoen aan deze wedstrijd. Mijn inzending was één van de winnende verhalen en werd daardoor opgenomen in het kinderboek ‘De rode koffer’. Illustraties in het boek zijn gemaakt door Carmen Groenefelt.

 

Noah sluipt de zoldertrap op. Hij heeft geen zin om gevolgd te worden. Zijn moeder zou allerlei vragen op hem afvuren  en daar kan hij nu echt even niet tegen. Hij bijt zachtjes op het puntje van zijn tong, die hij net verbrand heeft toen hij veel te snel zijn thee naar binnen werkte. Uit school wil zijn moeder altijd even kletsen. Mooi niet dus vandaag. Helaas heeft zijn moeder het altijd door wanneer er iets aan de hand is, nu ook, dus het leek Noah het slimst om zo gauw en onopvallend mogelijk naar boven te gaan.


‘Er is echt niks, gewoon wat gedoe op school’, had hij zijn moeder wijsgemaakt. Dat is helemaal niet waar, zijn vrienden zijn juist hartstikke aardig voor hem. Ze snappen allemaal dat hij zijn vader mist. Zouden ze ook weten hoeveel zorgen hij zich maakt? “Vredesmissie” noemen ze zoiets. Dat slaat toch nergens op?! Hoe kun je oorlog voeren nou een vredesmissie noemen? Van zijn moeder mag hij het acht-uur-journaal niet eens zien, zo vredig is het allemaal. Nou, hij kijkt ze allemaal terug op uitzendinggemist.nl als zijn moeder niet thuis is. De dingen die in zijn hoofd gebeuren, zijn nog veel erger dan wat hij op het journaal ziet. Maar dat kan hij zijn moeder toch niet uitleggen. Zijn moeder maakt zich trouwens zelf ook zorgen. Hoe vaker zij zegt dat alles goed komt en dat papa gewoon weer thuis komt over een paar maanden, hoe meer Noah denkt dat zijn moeder dat zinnetje zelf nodig heeft om rustig te blijven. Hij zegt dus maar niks om het niet nog erger te maken.

Hier op zolder hoeft hij even helemaal niks te zeggen, niks uit te leggen, nergens naar te luisteren. Noah ziet onder het schuine dak de oude, rode reiskoffer van zijn vader liggen. Hij trekt het ding naar zich toe en ploft op het logeermatras. In die koffer zitten allemaal spullen van zijn vaders eerdere uitzendingen. Brieven en kaarten, foto’s. Noah ziet een kaart die hij zelf heeft geschreven toen hij nog in groep drie zat: ‘Lievu papaa ik vint ju hil liev tot gou’. Hij weet niet meer zoveel van die uitzending, wel van het ophalen. Ze waren met heel veel vrienden en familie naar het vliegveld in Eindhoven gegaan, met bloemen en een groot spandoek. Hij was heel blij om zijn vader weer te zien.


Hier, foto’s van langer geleden. Toen was papa in Afghanistan. Hij vindt een groepsfoto waar zijn vader ook op staat: allemaal militairen met een baard, dat deden ze om meer respect te krijgen. Hij vindt het stom staan, zijn vader met een baard. Wat maakt het voor het respect nou uit of je een baard hebt? Een rij staat en een rij zit er gehurkt voor. Het lijkt wel een elftalfoto, alleen heeft nu niet één man een bal vast, maar alle mannen een wapen. Het blijft raar om zijn lieve vader met zo’n gevaarlijk wapen te zien. Noah legt de foto neer en gaat verder. Hij ziet zijn vader in een camouflagepak, nat van het zweet. Dat was na een patrouille, heeft hij later verteld. Hij ziet foto’s van een stoffig land, dat er heet uitziet. Een jongetje met een lange bloes die gehurkt zit. Hij kijkt met grote bruine ogen de camera in. Hij is best trots op zijn vader. Die is nu toch ook maar mooi weer ergens naartoe om die kinderen te helpen. Maar ik dan, denkt Noah. Hij is wel trots, maar ook boos. Als de mensen daar geen oorlog zouden voeren, zou zijn vader daar niet naartoe hoeven. Dadelijk schieten ze hem dood.


Noah doet zijn ogen dicht en laat zich achterover op het matras vallen.  Hij voelt dat een traan uit zijn oog precies zijn oor in loopt. Het kriebelt een beetje. Hij duwt zijn oor dicht en hoort de druppel geplet worden. Hij blijft nog even liggen en kijkt naar het plafond. Beneden hoort hij de bel.
‘Noah? Noah!’ roept zijn moeder naar boven. Gauw komt Noah overeind, gooit alles terug in de koffer en klikt ‘m dicht. Hij legt hem vanavond wel terug.


Als hij op de zoldertrap is, hoort hij zijn moeder opnieuw roepen. ‘Noah?’ Ze komt de trap op en kijkt hem vragend aan.
‘Kom je nou van de zolder?’ Noah kijkt haar aan, maar zegt niks.
‘Sep en Joris vragen of je buiten komt voetballen.’
Wanneer hij langs zijn moeder wil lopen, pakt ze hem ineens vast. Ze houdt haar armen stevig om hem heen en duwt haar neus tussen zijn haren. Hij voelt haar warme adem op zijn hoofd. Meestal wil hij dit niet meer, maar nu voelt het fijn. Noah knijpt zijn ogen heel stevig dicht en knippert daarna heel vaak. Langzaam laat zijn moeder hem weer los.
‘Tot straks’, zegt Noah zonder haar aan te kijken.
‘Tot straks,’ antwoordt zijn moeder, ‘veel plezier’.
Noah grist zijn jas van de kapstok en rent naar buiten. De voordeur knalt achter hem dicht.